Bretagnevakantie 2013

Zondag 16 juni

pont de normandieVia Antwerpen, Gent, Lille, Amiens en Le Havre rijden we via de sierlijke Pont du Normandie naar Caen. Waar we enkele jaren geleden al eens op zoektocht waren, naar sporen van de invasie.

Daar blijkt het nog veel te vroeg voor een hotel. Dus laten we Caen achter ons en doen het stuk naar Avranches er nog even bij. We komen daar terecht in het “Bed and Breakfast”-hotel. Geen romantisch huis met kamers, maar een beddenautomaat met geldgleuf. Die zowaar mijn oranje ING leeuw slikt. We zitten op een desolaat industrieterrein. Naast ons de parkeerterreinen van de Carrefour en de Mr. Bricolage, rond dit tijdstip geheel verlaten. Het is de natuurlijke omgeving van dit soort goedkope nachtonderkomens. Op het grasstrookje tegenover ons hebben “nomades” hun kamp opgezet. Tussen hun gloednieuwe Tabbert caravans en luxe terreinwagens staan barbecues en spelen kinderen.

De inmiddels gearriveerde hotelbeheerder verwijst ons voor de maaltijd naar het oude centrum van Avranches. Gezelliger dan de horeca bij het hotel, van het niveau Buffalo Grill. Het is de vraag, of het niveau van de kebabturk, waar we na een flinke wandeling tenslotte aanleggen, zoveel hoger is. Toch sluiten we in zijn snackbar met een redelijke maaltijd onze eerste dag af.

Maandag 17 juni

hotel cap ouestNa een snikhete, slecht doorslapen nacht laten we de B+B achter ons. Het is geen Mont-Saint-Michel-weer vandaag. Dus laten we de eenzaam in zee liggende berg rechts van ons liggen. We kiezen voor Marijke’s optie, het historische stadje Dinan. Niet te verwarren met de bekendere Belgische plaats, met de één letter langere naam. Hier trotseren we de regen gemakkelijker.

Bretons Dinan ligt aan een uitloper van de baai van Saint-Malo. Een aardig, ommuurd stadje, waar je vanuit de parkeergarage zo de middeleeuwen instapt. Met de auto’s en reclameposters in je rug, kijken de eeuwenoude stadswallen op je neer. Erachter gaan smalle straatjes schuil, met vakwerkhuizen en winkeltjes. En natuurlijk terrasjes. Daar wordt het zowaar droog. Langzaam kleurt de lucht zelfs een beetje blauw. We nuttigen onze eerste crêpes deze vakantie.

Dieper Bretagne in trekt de lucht weer dicht. De rondweg van St. Brieuc glimt in de regen. Pas een stuk voorbij Morlaix klaart het op. Als we bij hotel Cap Ouest in Plouescat arriveren, is het zowaar droog. We worden vriendelijk ontvangen. Onze kamer heeft uitzicht op de drooggevallen baai. In de verte zijn strandzeilers bezig. Er liggen bootjes in de modder. Morgen maar eens onderzoeken of we naar de rotsen kunnen wandelen, die we daar zien.

Dinsdag 18 juni

plouescat couverte van GuinirvitHet weer is droog genoeg om de wandeling over het pad langs de baai te maken. We zien wel of dat gaat lukken. Het is vrij zwaar bewolkt, maar we zien ook af en toe wat zon. De afstand naar de “chars-à-voiles” (zeilwagens) verderop op de zandbank valt mee. Binnen een goed half uur staan we al tussen de omkleedcontainers van de zeilschool en de voorbijrijdende zeilwagentjes in. Netjes achter elkaar, als ganzen in een rijtje om de oranje pylonnetjes heen.

We lopen verder. Overal liggen bootjes op hun kant in de modder. Ook bij hoogwater, zoals enkele dagen later blijkt. Op veel plekken wordt de graskant onderbroken door granieten rotspartijen. In de meest grillige vormen. Door erosie verweerd. Eén van deze stenenverzamelingen heeft geen natuurlijke oorsprong. De prehistorische allée couverte van Guinirvit is 4500 jaar geleden opgericht. Toendertijd ver van de waterkant. Sindsdien is het waterpeil echter fors gestegen. Daarom ligt hij nu half op het strandje, regelmatig overspoeld. Net als al het natuurlijke graniet hier, valt dit megalithische monument ten prooi aan erosie. Nu rest alleen nog een stenen skelet, dat al lang geleden zijn grote dekstenen is kwijtgeraakt.

Verderop mondt de baai uit in de open zee. Daar genieten we even van het strand en het uitzicht. We klauteren rond op de rotsen, alvorens het kustpad terug te nemen naar het hotel.

Woensdag 19 juni

morlaix viaductTwee Vlaamse dames spreken ons bij het ontbijt aan. Die bleven achter in het hotel, terwijl het reisgezelschap waar ze bijhoren, er met hun bus op uitgetrokken is. Het frisse Bretagne valt hen behoorlijk tegen. Zij dachten een zonnig strand te hebben geboekt, maar hebben zich vooraf duidelijk niet erg op hun reisdoel georiënteerd. Bijgevolg zitten ze nu dus in en rondom het hotel hun tijd uit.

Wij trotseren het opnieuw bewolkte weer voor een tochtje. We willen iets zien. De Cairn de Barnenez is een prehistorische grafheuvel op een schiereiland in de baai van Morlaix. Eén van de grootste van Europa. Een hoop op elkaar gestapelde stenen, met negen grafkamers en gangen. Voordat de constructie door een oplettend archeoloog werd gered, nog juist op tijd, was hij bij een aannemer in gebruik als steengroeve. Het neolithische monument staat er nu, na een grondige restauratie, bijna als nieuw bij. Het bezoekerscentrum ligt half verscholen onder de rotsen ernaast.

Op de terugweg toont Morlaix ons haar spectaculaire, tweelaagse boogviaduct. We zien de boemels boven ons op het viaduct rijden. Eerst leggen we ergens aan voor een frietje. Het is blijkt daarna voor Marijke te vermoeiend om het stadje erg uitgebreid te onderzoeken. Daarom kiezen we voor het toeristentreintje, als alternatief voor een koude stadswandeling. Maar helaas, voor ons zit er geen rondrit in vandaag. Onze gedroomde Morlaix-express blijft met pech op het marktplein staan.

Donderdag 20 juni

enclos paroissiale guimiliauTen zuiden van het stadje met de welhaast onuitsprekelijke naam Landivisiau ligt een aardige trekpleister. Volgens de folder uit het hotel. Een rondrit langs de zogenaamde enclos paroissiales. Elk plaatsje is hier gebouwd rond een ommuurd terrein, waarop de kerk, een knekelhuis (ossuaire), en een monument (calvaire) bij elkaar liggen. Vaak is er een uitbundig versierde stenen poort, die het geheel ontsluit. De aardigste voorbeelden zien we in Sizun en Commana. Vlakbij het laatste dorp pakken we ook nog een fraai prehistorisch ganggraf (allée couverte) mee. Dat zich nogal moeilijk laat vinden. Al met al een ideale tijdsbesteding met het sombere, natte weer vandaag. Er blijkt nog voldoende tijd over voor de ultieme wellness-beleving. Marijke troont mij daarvoor mee naar het “Station Balnéaire Cap Ouest”: het hotelzwembad. Waar ook de Vlaamse dames proberen, nog een beetje overdekt strandgevoel te ervaren.

Vrijdag 21 juni

Die nacht gaat het opeens niet goed met Marijke. Haar angst lijkt bewaarheid. Hartproblemen.

Bij het ontbijt zien we nergens de Vlaamsen, als welkome vertaalhulp bij het zoeken naar adequate medische ondersteuning. Een andere Belg die we benaderen blijkt nog beroerder Frans te spreken dan ikzelf. Dus proberen we op eigen kracht het probleem bij de hotelbalie duidelijk te maken. Dat lukt. Zij maken direct een doktersafspraak.

Dus zitten we een goed uur later in Plouescat in een Bretonse wachtkamer. In het groene huis, aan de Rue Général Leclerc, zoals de hotelbediende ons hulpvaardig heeft uitgelegd. Huisartsen werken hier niet sneller dan in ons vaderland. Herinner ik me nog van een eerdere confrontatie met de Franse gezondheidszorg.

ruige kust boven plouescat

Dokter Beyssey is vriendelijk en heeft oog voor de nood van een Nederlandse toerist. Al na twee stripbladen wachten, roept hij ons zijn spreekkamer binnen. Tussen zijn al langer wachtende vaste cliëntèle door. De in het Frans gestelde brief van Marijke’s Vlaamse cardiologe doet wonderen. Het probleem is dokter direct duidelijk. Onmiddellijk regelt hij een verpleegster, die vóór de middag nog komt bloedprikken in het hotel. Ongeacht de uitslag gaan we vast bagage inpakken. Marijke verkiest de thuisreis boven een mogelijk verblijf in het centre hospitalier van Morlaix.

Marijke vertrouwt ’t nog steeds niet, ze had alle eerdere symptomen (benauwd druk op borst hogere bloeddruk, kurkdroge keel/mond). Behalve de bloeddruk, die wel hoog was (169-99-78), maar niet zoals eerder.

Hoewel de Française in haar Honda niet lang op zich laat wachten, duurt het nog tot na vijven voor haar verlossende telefoontje komt. Al die tijd wachten we af in het hotel. Uit de uitslag blijkt gelukkig geen hartinfarct.

Tijd om de spanning van deze dag nog een beetje te ontladen. De prehistorische menhirs vormen een goede afleiding. Net als enkele natuurlijke rotsformaties langs de kust bij Plouescat. Of deze gesteenten daaraan hebben bijgedragen of niet, maar ‘s-avonds na het eten lijkt Marijke’s situatie iets verbeterd. We besluiten onze thuisreis nog even uit te stellen en het voorlopig even per dag aan te kijken.

Zaterdag 22 juni

op de punt van st. matthieu (21)We durven het aan om op stap te gaan. Met de auto. Naar de kaap van St. Mathieu. Het puntje van Bretagne dat diep de Atlantische Oceaan insteekt. Best wel ver bij het veilige hotel vandaan. Onderweg lopen we vast in een omleiding. Ter ere van de Franse kampioenschappen wielrennen op de weg. Die worden juist bij Lannilis verreden, waar wij de bruggen over de Aber-fjorden willen nemen. Gendarmes en vrijwilligers wijzen ons de weg terug uit de enorme drukte. Voorproefje van dat andere grote Franse wielerevenement?

Pointe St. Mathieu is al deze moeite wel waard. Op de ruige rotspunt liggen een abdijruïne, vuurtoren en weerstation broederlijk naast elkaar. Die bijzondere combinatie levert mooie, maar soms wat merkwaardige foto’s op. Aan de overzijde kunnen we vaag het schiereiland Crozon zien liggen.

Een rotspunt verderop ligt het fort Bertheaume. Op een eilandje, vlak voor de kust. De militairen hebben er plaatsgemaakt voor een bedrijfje in adventure games. Stichtte de Franse ingenieur Vauban het fort destijds om de toegangsweg naar Brest te bewaken, vandaag glijden er waaghalzen langs kabels naar het eiland. Om dat via allerlei avontuurlijke klimroutes verder te exploreren.

Via de drukte op de rondweg van Brest keren we weer terug naar ons hotel. Daar is het Belgische reisgezelschap dat hier de hele week logeerde, inmiddels vertrokken naar huis. De Vlaamse dames hebben hun strandeloze vakantieleed eindelijk achter de rug.

Zondag 23 juni

punt van de baaiHet weer is matig, maar zonnig genoeg voor de duinen van Keremma. Een Natura 2000-gebied op enkele kilometers voorbij ons hotel. Een mengeling van strand, duinen en rotsen strekt zich honderden meters voor ons uit. Het is nu eb, maar we weten niet hoe lang nog. Het strand is met alle gesteente en plassen moeilijk begaanbaar. We wagen ons voorzichtig een stuk op het natte gesteente. Niet te ver, we moeten snel weg kunnen als het vloed wordt.

Marijke besluit, langzaam terug te lopen richting het verlaten kapelletje in de duinen. Ik onderwerp eerst de restanten van een Duits bunkercomplex aan een vluchtige inspectie, voordat ik ook terugkeer. Zoiets laat je natuurlijk niet links liggen.

Inmiddels is het vloed. We rijden nog even naar de baai bij ons hotel. Als de avond valt, zien we die vanuit zee geleidelijk volstromen. Tot aan de hoogste waterstand die we deze vakantie meemaken. Daarbij geholpen door de straffe wind. Ons wandelpad van enkele dagen geleden staat nu een meter onder water. Een nat Frans jongetje zoekt er vergeefs naar zijn surfplank.

Wij kiezen onze laatste dag hier voor het veel warmere water in het hotelzwembad. En nemen bij het diner afscheid van twee aardige Engelse stellen. Die zaten vaak een tafeltje verder, en keren morgen vanuit Roscoff per Brittany Ferries huiswaarts.

Maandag 24 juni

pont avenAdieu, hotel Cap Ouest…. De receptionist vraagt bij ons vertrek, hoe het met Marijke gaat. Gelukkig een stuk(je) beter, is het antwoord. We gaan niet naar huis, al zit de schrik er nog goed in. We gaan we door naar Le Bono, onze volgende bestemming. Hotel Cap Ouest laat een goede indruk achter. Goed eten, prettige bediening, en ook nog hulp bij het vinden van een dokter.

We rijden via Landivisiau richting Quimper. Eerst een stuk binnendoor. Daarna de snelweg. Van de nabije baai van Douarnenez zien we hoegenaamd niets. Pas een heel stuk verder, bij Pont Aven, zien we water. In de vorm van een modderige, half drooggevallen zeearm diep in het land. Het plaatsje was volgens de folder ooit een “kunstenaarsdorp”. Vandaag biedt Pont Aven nauwelijks nog onderdak aan een kunstschilder. In plaats daarvan is het plaatsje vergeven van galerietjes en souvenirshops. De kwaliteit van de daar aangeboden kunst wisselt. Van goedbedoelde rotzooi tot echt artistiek werk. Ook hier is het een probleem, om een goede lunch te vinden. Net als eerder in de rest van Bretagne. Als ergens al iets open is, blijkt de keus meestal beperkt tot een crêpe met suiker. Vandaag lacht het geluk ons echter toe. In de vorm van Franse frieten, op een romantisch terrasje aan het water.

Als we Pont Aven achter ons laten, is ons einddoel niet ver meer. Hotel l’Abattiale vinden we vrij snel voorbij het plaatsje Le Bono. Eigenlijk een buitenwijk van Auray.

Ons verblijf voor de komende week is tegen een oude abdij of “manoir” (landhuis) aangebouwd. Qua architectuur is dat best aardig gelukt. Maar het hotel is aan lager wal geraakt. Zoals het amateuristische schilderwerk en de afgebladderde gevels verraden.

Bij binnenkomst doet zich direct een probleem voor. De receptionist wil een creditcard van mij. Na wat moeizaam Frans gekibbel wijst hij ons tenslotte ook zonder het plastic geld onze kamer. Met balkon en een bomenrijk uitzicht.

Dinsdag 25 juni

OLYMPUS DIGITAL CAMERATijd voor Carnac. Zo’n 30 jaar nadat ik deze plek in een vorige Bretagnevakantie miste, komt het er nu dan wel van! We gaan de “alignements” bekijken. De beroemde, kilometers lange rijen menhirs, die Carnac wereldberoemd hebben gemaakt. Hier kijken duizenden jaren geschiedenis op je neer.

Een wandeling langs vier kilometer megalieten gaat ons even niet goed af, maar er is een alternatief beschikbaar.

Vanaf het bezoekerscentrum op de parkeerplaats van Ménec vertrekt een“petit train”. Een als stoomloc gecamoufleerde trekker, die geen rails behoeft voor zijn drie vrolijke wagonnetjes met overdekte toeristenbankjes. Comfortabel (als je het ruwe wegdek voor lief neemt) voert de vakantie-express ons langs de neolithische menhirs. Als voorafje worden ons ook de boulevard en stranden van Carnac opgediend. En het buurplaatsje La Trinité sur Mer (Drieëenheid-aan-Zee, wie verzint er zo’n naam…) met zijn jachthaven. Veel zeezeilers meren hier hun cata- en trimarans aan. In eindeloze rijen liggen ze aan de steigers. Na de indrukwekkende menhirs en dolmens (Bretons voor resp. “staande stenen” en “stenen tafels”, zit de treinrit erop.

Met de auto zijn we enkele uren later terug in La Trinité. Voor de winkeltjes bij de jachthaven en de uiterste punt van het schiereiland, de Pointe de Kerbihan. Daar liggen, als verrassing, twee Duitse bunkers op mij te wachten. Eén ervan waakt in vol ornaat over het strandje, waar Marijke in het zonnetje neerzijgt. De andere is bijna geheel onder zand bedolven. Bij mijn nadere inspectie van het heuveltje treffen we een eveneens geïnteresseerde Française uit Le Mans. Er ontstaat een gesprekje, waarin ook onze Voornse bunkercomplexen ter sprake komen. Haar Bretonse partner blijft met zijn fiets geduldig beneden wachten.

Woensdag 26 juni

boottochtHet weer rond de Golf van Morbihan wordt zo goed, dat we opnieuw een boottocht gaan proberen. De vorige poging in Plouescat liep stuk. Vanwege medische en meteorologische obstakels.

Vanuit Locmariaquer varen de Vedettes l’Angelus uit over de Golf van Morbihan. Wij verkiezen deze maatschappij boven diverse andere mogelijkheden. De Vedettes bevaren namelijk ook de rivier langs Le Bono. Al om 10 uur (!) staan we op de kade, alwaar we in het ticketcafé twee met de hand geschreven bootkaartjes krijgen uitgereikt. Nog geen drie kwartier later bewonderen we vanaf het MS “Angelus-III” de oude hangbrug bij Le Bono. En de nieuwe, gracieuze verkeersbrug die ernaast ligt. Als we even later de brede Golf van Morbihan opvaren, zoekt Marijke de aandacht van een vrijpostig op het dek uitgestrekte golden retriever. Het contact is vlot gelegd. Ook met de eigenaren, een jong Frans stel. Op de voorplecht raken we een tijdje aan de praat, en niet alleen over hun chien.

Het Île aux Moines is een tussenstop. Tijd voor de lunch bij één van de vele tentjes op de havenpier. En daarna volop gelegenheid om het ruige kustpad een stuk af te wandelen. Langs rotsachtige strandjes en pittoreske witte huisjes. (“Cette maison n’est pas à vendre”). Verderop wordt ons een “cromlech” beloofd. Die blijkt net iets buiten Marijke’s wandelradius te liggen, waarop we naar de pier terugkeren.

Terwijl Marijke daar op een bankje van het zonnetje geniet, loop ik in sneltreinvaart terug naar de prehistorie. Een flink eind, maar dat vind ik zo’n neolithische steencirkel wel waard. Minstens een kwart ervan staat nog intact overeind. Zo blijkt bij aankomst. Het is de bedoeling dat ik bij de waakvrouw in het huisje ernaast wat geld achterlaat, maar dan ben ik al op de terugweg. Ze komt me niet achterna.

Terug bij de haven staan er al drommen mensen op de boot te wachten. Het is een heel gedrang om op de Angelus 2 te komen. Een kleiner schip dan we vanochtend hadden. Te klein, blijkt al spoedig. Vlak voor onze neus vertrekt het vaartuigje, ons verslagen op de kade achterlatend. Samen met een flink aantal andere pechvogels. Moeten wij ons verdere leven als schipbreukelingen op dit eiland slijten?

Het kleine sprankje hoop, om misschien ooit nog gered te worden, blijkt gelukkig niet ijdel. Nog geen tien minuten later vaart onze eigenste “Angelus III” van vanmorgen langszij. Om ons alsnog veilig naar onze thuishaven Locmariaquer terug te brengen.

Donderdag 27 juni

Bretagne, land van dolmen...

Bretagne, land van dolmen…

Tot twee keer toe vertrekken we deze ochtend richting Quiberon. Het wormvormige schiereiland dat ver voorbij Carnac de zee in steekt. Bij de eerste poging halen we net de dolmens van Mané Kerioned. Drie prachtige ganggraven vlak langs de hoofdweg, die nog tamelijk intact lijken. Daar ontdekken we, dat Marijke’s handtas nog in het hotel staat. Inclusief alle papieren en medicijnen. Een goed halfuur later, na een snelle tussenstop (tassenstop) in Le Bono, zijn we terug bij de dolmens. Dit keer rijden we ze voorbij.

Helemaal op het zuidelijkste puntje van Quiberon rijdt net zo’n vakantietreintje als dat wat we eerder in Carnac bestegen. Vandaag voert de route over nog bedenkelijker asfalt dan de vorige keer. Hetgeen de kwaliteit van de foto’s, die Marijke vanuit ons steigerende wagonnetje maakt, niet ten goede komt. Via de strandboulevard rijden we langs de oostkust van het schiereiland. Langs een aantal geneeskrachtige thalassobaden en luxe hotels. Een vliegtuigje zet rakelings boven onze treindakjes de landing in.  Tussen de huizen door steken we over naar de westkust van Quiberon. Waar de ruige, met menhirs besprenkelde rotsen van deze Côte Sauvage de climax van ons treinritje vormen.

Bij het eindpunt stappen we uit en rijden met de auto direct terug naar deze mooie, Iers aandoende rotskust. Een goede tien kilometer genieten van de ruige natuur, eindigend bij het imposante fort van Penthièvre. Het weer is inmiddels flink opgeklaard. Op een stevige zeewind na. Enkele kitesurfers in zee profiteren daar volop van. In het fort zelf zie ik, na een flinke klim het hoge duin op, soldaten oefenen op de stormbaan. Na het fort volgen er nog zo’n acht kilometer over de smalle landtong, alvorens we het vasteland weer bereiken.

Vrijdag 28 juni

l'abattiale hotelDe menhirs van Carnac, het schiereiland Quiberon en varen op de Golf van Morbihan. Nu we deze belangrijkste bezienswaardigheden van de Morbihan achter de rug hebben, is het tijd voor een rustiger dagje. In de omgeving van ons hotel, waarvan de naam me nog steeds niet duidelijk is. Logeren we nu in het Hostellerie l’Abbatiale, het Manoir de Kerdréan, of toch in Hôtel Mélaine? Drie verschillende namen op folders en borden. Kennelijk wisselt het horecacomplex de laatste tijd nogal eens van eigenaar….

Vlakbij Le Bono ligt Baden. Niet te verwarren met de gelijknamige Duitse of Oostenrijkse plaats. Het Bretonse Baden, waar we nu zijn, vormt de toegang tot enkele mooie landtongen aan de binnenzee van Morbihan. De Point de Toulvern bijvoorbeeld. Hier treffen we (alweer) enkele dolmens, naast een mosselkwekerij met heuse stuwdam. Of de landtong van Locmiquel, met een soort mini Mont-St-Michel. Hier geen toeristen of winkeltjes, maar een onooglijk onbewoond eilandje. Bij eb via een droogvallende strandwal bereikbaar. Buiten ons genieten alleen een Frans-Turkse familie en enkele lunchende schilders van de rust en het natuurschoon.

Een landtong verder ligt Larmor-Baden. Een slaperig dorpje, waar we bij de boulangerie nog juist vóór de middagsluiting onze eerste “croque-monsieur” (tosti) soldaat maken. De dorpskat helpt ons onder het tafeltje van het veel te zoute ham-beleg af. Als dat zelfs haar te veel wordt, verdwijnt ze naar een schaduwrijk plekje en rolt zich daar op. Het zout uit haar zwarte vacht likkend.

Er is ook een haventje, vanwaar je kunt overvaren naar de grafheuvel Cairn de Gravinis. Die wij al eerder deze week vanaf de boot zagen liggen. Verder is er een doorwaadbare plaats, waarlangs heldhaftiger bestuurders dan ik per auto het eilandje Berder kunnen bereiken. Het vele water, dat zich met kracht over het smalle weggetje stort, doet ons van dit idee afzien. We rijden naar het volgende punt op onze route. Daar kun je overvaren naar het Île aux Moines. Hier waren we deze week al met de boot. Dus keren we terug naar Le Bono.

Daar wacht de oude hangbrug al dagen vergeefs op een bezoekje. Kwamen we deze week al langsvaren met de boot, en zien we het industriële monument regelmatig vanuit de auto liggen, vandaag is dan eindelijk tijd voor een uitgebreide inspectie. Al fotograferend lopen we over het in 2005 gerestaureerde, maar nog steeds wiebelige houten wegdek. Beneden ons het drooggevallen haventje van Le Bono en de “sentiers-cotiers” (kustpaden) langs het water. Marijke probeert overmoedig één van de paden uit, maar komt bij het zien van de steile hellingen al snel tot inkeer.

Aan de overzijde van de autoweg ligt de tumulus van Kernous. Dat zijn meerdere grafheuvels in een miniparkje. De grootste is via een lange, donkere gang toegankelijk voor iedereen zonder engtevrees. Ik waag me enkele meters naar binnen, maar keer een beetje unheimisch alweer snel naar buiten. Erg donker, maar het ruikt in elk geval niet naar urine.

Dat doet het na onze thuiskomst ook niet in het zwembad. Het weer is nu zo mooi geworden, dat Marijke de blauwe bak water tussen de hotelvleugels niet langer kan negeren. Als enige trotseert ze zelfs het koude water, onder de ogen van het aanwezige manvolk (waaronder ikzelf) op het veilige, droge zonnedek.

Zaterdag 29 juni

le cadoMarijke had een aardig idee. Dus gaan we vandaag het Île de Cado bekijken. Een klein eilandje, dat een twaalfde-eeuws kapelletje herbergt. Met ernaast een indrukwekkend grotecalvaire (kruisbeeldengroep) en bij de waterkant een doopplaats met bron. Het eilandje is (voor toeristen) alleen te voet toegankelijk. Vanaf de parkeerplaats kom je er via een jaagpad langs het water, en een smalle stenen brug.

Volgens de overlevering werd die eens verwoest in een storm, waarop de duivel aanbood hem te herbouwen. In ruil voor het eerste levende wezen dat de oeververbinding zou benutten. Monnik Sint Cado stemde daarmee in, en stuurde er, na het gereedkomen, voor de zekerheid als eerste een kat overheen.

Vandaag zien we geen ongelukkige katten op de brug. Wel vliegen er sterntjes rakelings langs onze hoofden heen, op jacht naar een vers visje.

We trotseren het dreigende, bewolkte weer met een bezoek aan het prehistorisch museum van Carnac. Dat stond al op het programma voor een regendag als deze. In een streek die zo rijk aan megalieten is als Carnac, wordt natuurlijk veel plaats ingeruimd voor menhirs, dolmens en grafheuvels. Dat blijkt in dit statige, niet al te grote museum inderdaad het geval. We zijn net iets te vroeg en moeten wachten tot de deuren opengaan. Dan volgt er een leuke expositie over de opgravingen bij de grote stenen van het neolithicum. En over Marthe en Saint-Just Péquart, het echtpaar dat zich hiervoor het eerst heeft ingezet. Verder natuurlijk hier ook de onvermijdelijke pijlpunten, bijlen en potscherven, zoals overal elders in musea over de steentijd.

As afsluiting van deze dag rijden we nog even langs de kustweg naar Locmariaquer, om daar de Site des Mégalithes te bewonderen. In La Trinité vinden we dit keer wel de brug bij de jachthaven, wat bij het vorige bezoek niet lukte. Voor de tweede keer deze vakantie rijden we ons vast in een sportevenement. Dit keer gaat het om de Ultra Marin Raid Golfe du Morbihan, een meerdaags lange-afstands loopevenement. Ik herken de vertrouwde wedstrijdsfeer, zoals ik me herinner van mijn vroegere skeelermarathons.

Wegen zijn plotseling afgesloten of volgeparkeerd met blik, ons een smalle doorgang latend. Drommen in de weg lopende mensen. Al dan niet in sporttenue met rugnummers. Op het drukste punt blijkt de ingang naar de Mégalithes te zijn.  Enkele grafheuvels in een strak aangeharkt parkje. Er is een tumulus met één, en een cairn met meerdere grafkamers. Allemaal net iets te keurig gerestaureerd op een gladgeschoren gazon. Topstuk is de ooit twintig meter hoge, in vier stukken uiteengevallen Grand Menhir. Via een strak betonnen entreegebouw kunnen we er bij, voor euro 5,50 per persoon. Net buiten het omhaagde terrein blijkt een verhoging aanwezig, vanwaar de megalithische monumenten gratis bewonderd kunnen worden. Dat is niet alleen aantrekkelijk voor zuinige Hollanders. Een clubje Franse deelnemers aan de Marin Raid gebruiken het plateau voor een fotosessie. Met mijzelf in de rol van fotograaf.

Zondag 30 juni

aurayDe laatste Bretagnedag. Tijd om het kustpad langs het hotel eens in de andere richting te verkennen. Als men het verantwoord vindt, de vele deelnemers aan de Marin Raid over dit pad te jagen, dan is het vast minder nat dan een kleine week geleden, toen wij hier vastliepen in de modder. Na enkele honderden meters lopen tussen de golfbaan van Baden en de kreekoever, weten we dat dit ijdele hoop is. Het pad is door de vele wedstrijdlopers zo mogelijk nog onbegaanbaarder geworden. Al trekt een passerende atleet zich weinig van de opspattende modder aan.

Dan zoeken we maar een alternatief stuk van dit pad, enkele kilometers verderop richting Le Bono. Vanaf de eerder bezochte tumulus loopt een weggetje, dat eindigt bij een haventje. Daar pakken we het kustpad weer op, dat hier lang niet zo nat is. Een tijdje lang volgen we het in de richting van de oude hangbrug. Eenmaal terug bij de grafheuvel vinden we het welletjes.

Er is nog tijd over om Auray nader te inspecteren. We zijn het stadje de afgelopen dagen steeds voorbijgereden, maar nu gaan we er dan de maaltijd nuttigen. Auray herbergt de gebruikelijke zaken. Een lommerrijke parkeerplaats onder de platanen, een aardige kerk en een typisch Frans hôtel de ville. Nergens geopende eetgelegenheden. Alles lijkt uitgestorven. Langzaam dwalen we omlaag naar de rivier. Daar ligt beneden in het dal de oude schilderachtige haven. Met volop drukbezochte horeca. Het worden Franse hamburgers met frites. En mayo.

Daarna bekijken we het oude stadje. Tussen de vakwerkhuisjes is het inmiddels flink zonnig geworden. Zelfs de duif, die zijn best doet om een vredestak te bemachtigen, bezwijkt bijna onder de warmte. Voor het ook hier aanwezige toeristentreintje hebben we geen tijd en geen geld meer.

Maandag 1 juli

etretatWe vertrekken langs Vannes en Rennes richting huis. De rekening van l’Abattiale viel mee, er is nauwelijks wat voor ons waterverbruik bij de diners gerekend. Het weer in het binnenland valt juist weer wat tegen. Lage bewolking, bijna mist, in het binnenland. De kust is zonniger. Richting Caen klaart het dan ook weer op. Nog een flink stuk verder, ligt de Pont de Normandie zelfs volop in het zonnetje.

De laatste overnachting. Tegenover de kerk in Le Tilluil, niet ver van Etretat, vinden we een gemoedelijk, dorps aandoend hotelletje. De waardin wijst ons een kamer op de tweede verdieping.

Etretat ontleent haar bekendheid aan enkele spectaculaire, natuurlijke bogen. Uitgesleten in de witte krijtrotsen. Die willen we uiteraard gaan zien. Daarnaast hoop ik misschien nog ergens een mooi fossieltje aan te treffen. Wat op deze plek niet onmogelijk is. Het gaat immers, voor het eerst in deze vakantie, om ander gesteente dan het in Bretagne alom aanwezige, fossielloze graniet.

Het kiezelstrand van Etretat wordt gedomineerd door steil oprijzende rotswanden. Met de inderdaad spectaculaire bogen in het zachte witte kalkgesteente. Ogenschijnlijk wankele poorten, die elk moment kunnen instorten. Maar er al honderden jaren zo bij staan…

Fossielen vind ik niet op het met een dikke kiezellaag bedekte strand. Ook niet in rotswanden boven me. Waar af en toe een vuursteenknol uitvalt. Best link om daar te dichtbij te komen.

In plaats daarvan bezoeken we een kapelletje op de rotsen met prachtig uitzicht. En natuurlijk de onvermijdelijke Duitse bunkers. Overal zien we hondsbrutale zilvermeeuwen. Die weten te goed de weg naar de vele friet- en crêpeterrassen te vinden. De gemeente ziet de opdringerige zeevogels eigenlijk liever gewoon vis eten. Op haar borden langs de boulevard vraagt ze de toeristen om hun medewerking daarbij.

Dinsdag 2 juli

huis in etretatDeze echt laatste vakantiedag proberen we nog één maal een fossielenstrandje te zoeken. Vanaf het hotel wordt immers naar een “plage” verwezen. Hoe we de boerenweggetjes ook afzoeken, we vinden geen strand. Wel de oliehaven van Antifer in de verte. En een vuurtoren op de top van de krijtrotsen. Naast deze Phare trekken een aantal opvallende bunkers de aandacht. Zomaar in een weide midden tussen de koeien. Het blijken resten van de Duitse radarstelling Auerhahn te zijn. Ongeveer zoiets als “onze eigen” Oostvoornse Biberstellung, maar een stuk makkelijker te bezichtigen. Fijnproevers zoals ik genieten van de duidelijk zichtbare, nog aanwezige sokkels van de Freya-,  Wasserman- en Würzburgradars…

Ben ik daarmee eigenlijk al voldoende tevredengesteld, Marijke wordt later in Etretat, na een steile en inspannende klim omhoog, beloond met een (bijna net zo) adembenemend uitzicht. Over de spectaculaire, witte “falaises” langs deze klippenkust. We zijn niet de enigen, die hier worden aangetrokken door de grillige kalksteenformaties. Helemaal op het eind van onze vakantie horen we voor het eerst volop landgenoten.

Een moeder-met-dochter is hier zojuist pas aangekomen. Maar voor ons zit deze vakantie er nu echt helemaal op…..

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s